Watertoren Stadskanaal

De eerste opdracht voor Mertens als esthetisch adviseur bij de WAPROG was het vormgeven van de watertoren in Stadskanaal (afb. 6). Het is onduidelijk in hoeverre Mertens zich ook met de constructie heeft bezig gehouden, maar de berekening en de uitvoering

illustratie
6 De watertoren in Stadskanaal, voltooid in 1936 (foto: Jur Bosboom, Provincie Groningen, 1992).

ervan waren in ieder geval in handen van het waterleidingbedrijf zelf.

Toen de WAPROG in 1934 besloot tot de aankoop van gronden ten behoeve van de bouw van de eerste watertorens, viel de keuze in Stadskanaal op een smal terrein ter hoogte van de dubbele knik in het hoofddiep, het Stadskanaal, ten zuiden van de aftakking van het Tweede Boerendiep. Bij de keuze van de locatie werd terdege rekening gehouden met de ruimtelijke situering van het gebouw. Op de uiteindelijk gekozen plek zou de watertoren in het verlengde van het afbuigende Stadskanaal komen te staan en zo de dubbele knik in het hoofddiep in de wijde omtrek markeren. Op het terrein, dat tot dan toe in het bezit van de stad Groningen was, stond reeds een brug wachters woning; de toren zou hierachter verrijzen. De brugwachterswoning is later afgebroken, het Tweede Boerendiep gedempt en de weg langs het Stadskanaal verlegd, zodat de watertoren nu direct vanaf de weg en het hoofddiep is te zien. Nadat het bodemonderzoek, waarbij het Laboratorium voor Grondmechanica in Delft adviseerde, gunstig was uitgevallen, kon begin 1935 worden gestart met de bouw van de toren. Onder een veenachtige bovenlaag bevond zich een laag zand van tenminste 12 meter dikte, zodat de toren op staal gefundeerd kon worden. De uitvoering van de bouw was in handen van de N.V. Betonbouw, Hoogkerk. De uiteindelijke bouwkosten bedroegen, inclusief voorbereiding, toezicht, renteverlies tijdens de bouw, grondaankoop en buisleidingen, maar liefst f 98.000,-. In december 1935 kon het reservoir voor het eerst met water worden gevuld en begin 1936 werd de toren opgeleverd. Als reservoirtype werd gekozen voor een rond vlakbodemreservoir van gewapend beton, een in die tijd veel toegepast type (afb. 7). Een dubbel reservoir, vooral gemakkelijk voor het reinigen, achtte men niet noodzakelijk, omdat het mogelijk was het reservoir in een periode van laag waterverbruik tijdelijk buiten gebruik te stellen en schoon te maken.

illustratie
7 Lengtedoorsnede van de watertoren in Stadskanaal met van beneden naar boven het fundament (A), de schacht (B t/m E), de lekvloer (F), het reservoir (G) en de dakopbouw (H). De constructie en indeling van de watertoren in Oude Pekela komt hiermee grotendeels overeen (tekening: WAPROC, 1934).

Bron:

Jaarboek Monumentenzorg 1994. Monumenten van een nieuwe tijd. Architectuur en stedebouw 1850-1940

illustratie
8a Dwarsdoorsnede van de begane grond van de watertoren in Stadskanaal (tekening: WAPROG, 1934).


De inhoud van het reservoir dat 10,85 meter breed en 10,06 meter diep is, bedraagt 900 m3. De hoog- en laagwaterspiegels zijn gelegen op respectievelijk 45,20 en 35,20 meter + N.A.P.

Het drinkwaterreservoir wordt gedragen door negen kolommen van gewapend beton, waarvan één in het midden is geplaatst en acht in een cirkel daaromheen 

zijn gezet (afb. 8a). De kolommen worden onderling gekoppeld door ringbalken. De betonnen vloeren die tussen de ringbalken liggen, zorgen voor voldoende verstijving van de betonconstructie. Deze constructie week af van de toen gebruikelijke, namelijk een systeem van vier binnenkolommen en acht buitenkolommen. Het voordeel van de in Stadskanaal toegepaste constructie is dat deze sneller uit te voeren was en dat er veel meer ruimte in de schacht ontstond. In de schacht die een diameter van ongeveer 11 meter heeft, bevinden zich behalve een trap en een hijsgat, de standpijpen en de afvoerpijp. De standpijpen zorgen voor de aan- en afvoer van drinkwater naar het reservoir. De afvoerpijp die net iets boven het laagste punt van het reservoir is geplaatst, zorgt voor het afvoeren van eventuele op de bodem neergeslagen verontreiniging.

De betonconstructie van de 43 meter hoge toren wordt vrijwel geheel aan het oog onttrokken door een omhulsel van rode Groninger baksteen. Aan de vormgeving van de ommanteling, waarvoor Mertens verantwoordelijk was, is zeer veel zorg besteed. Dit was overigens geen uitzondering: over het algemeen beschouwden de waterleidingbedrijven watertorens als hun visitekaartje en besteedden daarom vaak veel aandacht aan de architectuur van de torens. Karakteristiek voor de toren in Stadskanaal - en eigenlijk voor alle watertorens die Mertens ontworpen heeft - is de uitgeholde ronde schacht. Aan de buitenzijde zijn vier rechthoekige bakstenen ‘steunberen’ te zien die elk weer uit drie smalle pilasters bestaan. De schachtmuren tussen de steunberen liggen ongeveer 2,5 meter terug en de hoeken, waar de steunberen en de schacht elkaar ontmoeten, zijn rond uitgehold.

De vier steunberen lijken het uitkragende reservoir te dragen. Op de betonnen reservoirvloer die daartoe ongeveer 2 meter extra is doorgetrokken, staat de gemetselde ommanteling van het reservoir. Door deze extra uitkraging is ruimte gecreëerd voor een trap buiten het reservoir om. Het reservoir wordt bekroond door een ronde dakopbouw met dezelfde diameter als de schacht, zodat het lijkt alsof de schacht door het reservoir heen getrokken is. Enkele ronde en smalle rechthoekige vensters doorbreken het muurwerk.